Leven in een roes

in: overig - Sintel, literair tijdschrift, nummer 2 (februari 2017)

In de cocon van onze geklimatiseerde auto, of in de trein met onze ogen gericht op onze Facebookvrienden, gaan we naar ons werk of onze opleiding. We doen onze boodschappen in winkels waar paspoppen synthetische kleding aanprijzen, waar glimmende etalages reclame maken voor gezonde groenten in mooi gedesignde plastic zakjes. Terwijl de magnetron ons eten afmaakt, ploffen we neer voor een scherm. Om te ontspannen van een dag lang werken aan e-mailtjes, vergaderpunten, conceptvoorstellen, beleidsplannen en andere dingen je niet kunt aanraken.

Ons leven speelt zich meer en meer af in een technische werkelijkheid.

Blader terug: ‘Doe altijd het tegenovergestel…
Blader verder: "Om de verstrooide kinderen van…
Terug naar overzicht
Gebruikte Tags: , , ,
24 x bekeken
These icons link to social bookmarking sites where readers can share and discover new web pages.
  • Facebook
  • Twitter

In de jaren zeventig zag de Franse filosoof Jean Baudrillard al een hyperrealiteit ontstaan, letterlijk: boven-werkelijkheid. Volgens hem wordt de wereld steeds meer gedomineerd door media en beelden. Media en beelden die verwijzen naar reële objecten. Zoals een billboard met een koffiereclame naar echte koffie verwijst. Maar Baudrillard zag dat beelden steeds meer hun eigen leven gingen leiden. Op het billboard van het koffiemerk zien we soms niet eens een kopje koffie meer, maar een mooi gekamde, onaantastbare en ietwat sarcastisch kijkende George Clooney. In het echte leven schijnt hij niet eens van koffie te houden. Dat maakt niet uit, want het bedrijf verdient ook helemaal geen geld meer met koffie, maar vooral nog aan dit aura van zelfbewuste onaantastbaarheid, die het verkoopt in de vorm van blinkende apparaten en cupjes.

Het gaat in de hyperrealiteit niet alleen om de dominantie van beeldmedia, schreef Umberto Eco. Het steekt veel dieper: we kunnen niet goed leven met de beperkingen van de tastbare wereld. De hyperrealiteit is onze poging om dat te verbeteren. In die hyperrealiteit is geen plaats voor grenzen, ongemak of pijn. Het is een kunstmatige wereld die een soort verbeterde versie moet zijn van de natuurlijke werkelijkheid. Het is een wereld waar alles optimaal is afgestemd op onze verlangens, waar we worden bevrijd van de grenzen van tijd en ruimte.

Dat is precies wat we om ons heen zien. We worden steeds meer omringd door een wereld waar het boven alles draait om uiterlijk, buitenkant en beeld. Waar we ontzettend ons best doen om de werkelijkheid beter te maken met hulp van technologie. Denk aan de mannen en vrouwen die er in de bladen zo begeerlijk uitzien. Ze zijn mooier dan de sterfelijke wezens die je op straat ziet lopen. Ze zijn niet puur nep, want ze raken je en beïnvloeden de wijze waarop je naar mensen kijkt. Die ervaring is echt. Of neem de kaaspizza die je vanavond eet. Die bevat geen kaas, maar kunstkaas, gemaakt van palmolie die wel dezelfde smaakbeleving geeft als kaas, maar veel goedkoper is. Zo plaatst een vriendin van mij iedere dag optimistische updates op haar Facebook, naast foto’s die ze heeft gemaakt op begerenswaardige locaties met haar al even begerenswaardige partner. Toevallig weet ik dat ze soms dood wil, maar dat kan ze moeilijk op Facebook zetten. Op Facebook construeert ze haar identiteit zoals ze die zou willen zien. Een hyperidentiteit.

Geloof in middelen

Ik woon in de Utrechtse wijk Overvecht. Als ik om me heen kijk, naar de immigranten, bijstandsmoeders en werkloze mannen, zie ik enorm veel persoonlijk leed en gebroken gezinnen. Ik kan er heel moeilijk mee ‘connecten’, om het hedendaags te zeggen. Als kosmopolitisch individu reis ik de wereld rond in een hoogopgeleide cocon. Via mijn scherm heb ik virtueel contact met mensen van mijn eigen sociale klasse en bestel ik goedkope spullen van ver weg (terwijl mijn overbuurman met zijn winkel failliet is gegaan). Als ik thuiskom ben ik te moe om ook nog sociaal te doen. Nare dingen houd ik liever op afstand, hypersensitief als ik ben.

We zijn bezig de hyperrealiteit uit te rollen over de hele wereld. Dat is mogelijk geworden door ons geloof in middelen. In onze consumptiemaatschappij leren we al van jongs af aan dat we onze verlangens eenvoudig kunnen bevredigen met externe middelen. Het is logisch dat we daardoor op het idee komen om er maar zo veel mogelijk van te verzamelen. Dat geldt niet alleen voor het persoonlijke leven. Ook collectief worden we aangemoedigd om maar zo veel mogelijk middelen te verzamelen. Allemaal voor het hogere doel van geluk en comfort, want het geluk en het comfort van het individu vinden we heilig.

In de premoderne tijd keken mensen kritisch naar de middelen die ze kozen. Ons geluk, schreef Aristoteles al, is gelegen in het deugdzame leven op zichzelf, oftewel: je kunt het goede leven nooit bereiken met slechte middelen. In de moderne tijd zijn doel en middel veel meer van elkaar losgeweekt. Omdat de wetenschap geen waardeoordeel meer wilde vellen over wat goed was en wat niet, richt men zich sinds de Verlichting steeds meer op het hoe. Dat kreeg langzaam maar zeker de overhand op het waarom, op de zingeving. Moderne mensen zijn, met een technische en wiskundige blik op de wereld, meer en meer zaken louter als instrumenten gaan zien, als middelen. Die moeten we verzamelen en versterken om vervolgens onze doelen te bereiken. Problemen die daarbij ontstaan lossen we later wel op, als we nog meer middelen hebben.

Bij elkaar heeft dat een samenleving opgeleverd die bulkt van de middelen, maar waarin het steeds moeilijker is om over doel en zin te denken. Alles wat we aanraken, wordt een middel. Een wereld die bestaat uit middelen, maar geen doelen meer heeft – dat is een andere definitie van een roes, van een hyperrealiteit waarin we als individuen langs elkaar heen leven, bedolven onder goederen en beelden die onze directe verlangens bevredigen maar totaal niet bieden wat we eigenlijk willen.

Het is opvallend. Aan de ene kant zijn de grote verhalen en doelen bij het grofvuil gezet, maar tegelijk zien we dat onze kleine individuele doeltjes steeds meer op een voetstuk worden geplaatst. Individuele ontplooiing en het nastreven van onze diepste verlangens worden leidend.

Als je een bepaald doel heilig maakt – zo leert de geschiedenis – wordt de verleiding steeds groter om steeds meer middelen en methodes goed te keuren, als ze het doel maar dichterbij brengen, want dat is zo heilig. Maar het is een bekende paradox: als het doel de middelen heiligt, worden de middelen leidend. Ze worden belangrijker dan het doel waarvoor we ze wilden inzetten. Ze krijgen religieuze trekken, inclusief de hogepriesters die ons opzwepen om er vooral in te blijven geloven.

Neem het financiële systeem, een enorm stelsel van banken, regels, investeerders en technologie. Tezamen opereren ze volgens de logica van winst, een logica die daarmee een onbedwingbare macht is geworden. Joris Luyendijk laat dat mooi zien in zijn boek Het kan niet waar zijn! Het systeem is autonoom geworden en zelfs onze moraal wordt erop afgestemd. Hele samenlevingen mogen worden kapotbezuinigd omdat anders onze banken worden afgewaardeerd, in de hyperrealiteit van groeiprognoses, obligatiekoersen en credit ratings. Het moet, want anders storten ze in en dan kunnen we niets meer. Het is allemaal voor onze eigen bestwil: we willen toch niet dat onze koopkracht achteruit gaat?

Of neem de enorme spionage- en herkenningssystemen die Europa aan het optuigen is om grenzen automatisch te bewaken en vluchtelingen te herkennen. Met drones en geavanceerde herkenningstechnologieën worden bootvluchtelingen herkend, het liefst al voordat ze zijn ingescheept. Het plan voor zogenaamde smart borders is nog omvangrijker. Alle vliegvelden en grensovergangen moeten worden uitgerust met herkenningspoortjes die iedere toerist, migrant of reiziger automatisch herkent bij binnenkomst en vertrek, met behulp van biometrische identificatie.

Wat precies het einddoel is, is niet duidelijk. Illegale immigratie wordt er namelijk niet mee voorkomen. Maar er zijn allerlei krachten in de politiek die er baat bij hebben, van defensiebedrijven tot politiediensten. Het smart borders-project is een middel dat bijna niet af te remmen is. Beleidsmakers willen namelijk laten zien dat ze iets doen. Je kunt toch niet nietsdoen? Daarom bouwen ze verder. Er worden miljarden gepompt in systemen die niet goed werken, waarop techneuten weer met nieuwere systeem komen die nóg meer kunnen, zodat alle problemen in één keer voorbij zijn. We stevenen keihard af op een systeem waar wij allemaal met al onze lichaamskenmerken en andere gegevens in zullen zitten.

Het is de val van de middelen die we hebben gekozen. Allemaal voor ons eigen geluk, uiteraard. Want u wilt toch ook geen ongure types in uw straat hebben lopen? Maar de prijs voor een leven zonder ongure types is een politiestaat.

Technisch systeem

In mijn boek De geluksmachine, dat vorig jaar uitkwam, beschrijf ik dit mechanisme op allerlei terreinen en laat ik zien hoe ze ons leven steeds meer inkapselen. Iemand die dat in de jaren zestig en zeventig al zag gebeuren, is de Franse denker Jacques Ellul (1912-1994). De wereld wordt niet voortgestuwd door ideeën of geld, aldus deze socioloog, maar door iets anders: techniek. Daarmee bedoelt hij niet het vak van de techneut, maar het hele maatschappelijke ordeningssysteem van wetenschap, politiek en economie dat voortdurend op zoek is naar het éne meest efficiënte middel, op ieder gebied. De maatschappij wordt steeds meer geleid door één principe: het ‘vermeerderen van de middelen’. Praten over goed of fout, ethische keuzes maken, het is eigenlijk niet meer mogelijk, zegt hij. Techniek eist dat we kiezen voor meer middelen, met andere woorden: voor efficiëntie. Maar dat levert zo’n complex systeem op dat er alleen nog maar technocratische keuzes te maken zijn. Het leidt tot een systeem dat steeds moeilijker bij te sturen is. Het is autonoom geworden.

In de politiek is dat heel duidelijk. Bijna niemand roept om minder beleid, minder controle of minder groei. Als er een probleem is, wordt dat altijd aangepakt met méér organisatie, méér effect, méér groei, méér computersystemen. Een aanranding op een crèche? Voortaan moeten alle medewerkers van alle crèches een verklaring meenemen, ze mogen niet meer alleen op de groep staan en alles wordt gecontroleerd. Presteren scholieren op sommige scholen slecht? Voortaan moeten alle onderwijzers regelmatig alle competenties van hun leerlingen testen en uitgebreide voortgangsrapportages bijhouden, in een groot computersysteem.

Dat is deel van wat Ellul het ‘technische systeem’ noemt. Nogmaals, het probleem is niet techniek, of het gebruik van machines, maar de manier waarop wij de samenleving inrichten en optimaliseren als een machine. Een geluksmachine, zoals ik het noem.

We móéten wel banken redden, ook al gaat het ten koste van sociaal beleid, want zonder deze systeembanken kunnen we niet. We móéten de boerenlandbouw wel vervangen door industriële productie, want mensen eten steeds meer vlees en daar moeten we in voorzien. We móéten wel accepteren dat Facebook en Google alles over ons leven verzamelen en verkopen, want zonder hun dienstverlening kunnen we niet. We moeten door. Dat vereisen de middelen. Ze creëren een eigen werkelijkheid, een hyperwerkelijkheid, met eigen wetten.

Heerlijke nieuwe wereld

In 1931 schreef Aldous Huxley het boek Brave New World (Heerlijke Nieuwe Wereld). Daarin beschrijft hij een dictatuur, maar dan zonder marteling en onderdrukking, want iedereen is volkomen tevreden. Er is geen pijn en geen lijden, seks is vrij te krijg, en in hun vrije tijd gaan mensen naar de feelies, de cinema met synthetische muziek en zelfs met voeleffecten. Virtual reality avant la lettre. Gezinnen bestaan niet, want kinderen komen netjes uit de fabriek, waar ze worden opgekweekt en afgericht om tevreden te zijn met de positie die ze naar gelang hun kaste later zullen gaan innemen. En wie zich dan nog niet happy voelt, krijgt gratis soma van de staat, een middeltje dat gelukkig maakt zonder bijwerkingen.

Tegen het einde van het boek ontspint zich een prachtig gesprek tussen een ‘wilde’, een man die nog is opgegroeid tussen de indianen en daar Shakespeare las, en Mustapha Mond, de ‘plaatselijke wereldbeheerder voor Europa’. De wilde is geschokt om wat hij ziet en heeft zojuist geprobeerd een bak soma voor ‘delta’s’ – een arbeiderskaste – uit het raam te kieperen. De wereldbeheerder wil een onderhoud met hem: wat is er nu mis met een regering die iedereen gelukkig maakt? Hoe kun je hier nu tegen zijn?

‘De mensen worden zo afgericht dat ze alleen maar kunnen doen wat ze behoren te doen’, zegt hij dan. ‘En mocht er door een ongelukkig toeval toch iets onplezierigs gebeuren, dan is er altijd nog soma, dat je een vakantie van de feiten kan bezorgen. En, gaat hij verder, er is altijd soma om je woede te kalmeren, om je met je vijanden te verzoenen, om je geduldig en lijdzaam te maken. In het verleden kon je die dingen alleen door grote inspanning en na jaren van strenge morele oefening bereiken. Nu slik je twee of drie halvegramstabletten en klaar ben je. ‘Iedereen kan tegenwoordig deugdzaam zijn. Je kunt minstens de helft van je moraliteit in een flesje bij je dragen. Christendom zonder tranen – dat is soma.’

De wilde begint dan te sputteren, want dit leven zonder tranen is precies wat hem zo schokt. Hebben we die tranen niet juist nodig, werpt hij tegen. Wat is leven zonder gevaar?

Nou, daar kan de beheerder wel inkomen, en hij weidt uit over de heilzame werking van een nieuwe medische techniek om de bijnieren te prikkelen. 'De Hevige Hartstochtsurrogaat-behandeling', zegt hij. ‘We doordringen het hele organisme met adrenaline. Het is het volledige fysiologische equivalent van vrees en woede. Alle tonische resultaten van het vermoorden van Desdemona en het vermoord worden door Othello, zonder een van de ongemakken.’

Maar ik houd van de ongemakken, zegt de wilde dan.

‘Wij niet', is het antwoord. 'Wij doen de dingen liever op ons gemak.’

De wilde vindt het afschuwelijk. ‘Ik wil geen gemak. Ik wil God, ik wil poëzie, ik wil echt gevaar, ik wil vrijheid. Ik wil goedheid. Ik wil zonde.’

Feitelijk, zegt Mustapha Mond, 'eist u het recht op om ongelukkig te zijn.' Uiteindelijk laat hij de wilde opsluiten, want zo veel onredelijkheid is een gevaar voor de orde.

Mimetische verlangens

Huxley zag blijkbaar in de jaren dertig al aanzetten tot de Heerlijke Nieuwe Wereld, maar we zijn intussen tachtig jaar verder met het uitbouwen ervan. De Brave New World is het onuitgesproken ideaal achter alles wat we doen. Ik geloof niet dat dit kan lukken. Op de weg er naartoe zullen we stranden. De wereld is niet te conditioneren en de mens al helemaal niet. Onze verlangens zijn mimetisch, dat wil zeggen dat we onze diepste verlangens altijd afstemmen op die van de ander. Onze verlangens zijn sociaal geconstrueerd en groeien dus ook mee met wat we hebben, en wat anderen hebben. Hoe gelijker we zijn, en hoe gelukzaliger ons leven is, des te meer zullen we verteerd worden als we zien hoe groen het gras van de buren is, hoe blinkend zijn telefoon en hoe jong zijn vrouw.

Met andere woorden: het stadium van tevredenheid zullen we nooit bereiken. Maar daar jagen we wel naar. We bouwen steeds verder aan een technische werkelijkheid waar geen conflicten zijn en waar ons geluk centraal staat. Waar kinderen met Down op tijd weggehaald worden, migranten in Turkije worden voorgeselecteerd, de economie altijd (duurzaam) blijft groeien en bejaarden oud worden in hun eigen flats. Om ons heerlijke leventje in stand te houden.

Huxley laat mooi zien dat deze Heerlijke Nieuwe Wereld alleen gebouwd kan worden met macht. Democratie is een mooi vernis, maar daaronder zitten technocraten en de strategen die al lang hebben bedacht wat we nodig hebben. En wij leggen ons bij hun plannen neer. We verlangen zo naar de Heerlijke Nieuwe Wereld dat we onze vrijheid ervoor opgeven. Niet alleen politieke vrijheid. We laten werkelijk ons innerlijk uithollen. De innerlijke vrijheid om iemand te zijn, een identiteit te ontwikkelen, keuzes te maken en conflicten op te zoeken. Hoe meer wij leven in een goed georganiseerde, blinkende wereld, waar we geen natuur en lastige mensen meer tegenkomen, des te meer zullen we inwisselbare massamensen worden, radertjes in een machine die draait omwille van zichzelf en haar bestuurders.

We zijn onze vrijheid al voor een groot deel kwijt. In een wereld die continu gericht is op onze verlangens en begeerten, wordt het steeds moeilijker om een stabiele persoonlijkheid te cultiveren, die beperkingen aankan en die kan nadenken over wat er wel en niet toe doet in het leven. En die dat kan onderhouden! Ik sprak eens een directeur Natuur op het voormalige ministerie van Landbouw die zich grote zorgen maakte: ‘Er komt een generatie aan van mensen die geen vijf plantensoorten meer kunnen herkennen. Ik ben bang dat zij zo weinig weten van de natuur, dat ze haar op een dag gewoon afschaffen.’

De directie Natuur is intussen zelf al afgeschaft.

De meeste moderne mensen erkennen gelukkig nog dat we niet zonder natuur kunnen. Maar we kunnen ook niet zonder pijn en armoede, of dat nu zieke ouderen, verstandelijk beperkte mensen, vluchtelingen zonder papieren of criminele hangjongeren zijn. Het is gezond voor ons om geconfronteerd te worden met de weerbarstigheid van de realiteit en de beperkingen van onze plannen. Juist door beperkingen kunnen we weerbaarheid enonze autonomie ontwikkelen.

Op zoek naar de pijn

Hoe dat moet, dat is een verhaal apart. Ik geloof niet in bestuurlijke of organisatorische oplossingen, want dat is precies weer die maakbaarheid die het probleem veroorzaakt. De sleutel ligt bij onszelf. We moeten op zoek naar de pijn en naar de reële conflicten die daar de oorzaak van zijn. In een wereld waar we continu worden gesust, moeten we bewust het onrecht opzoeken, midden in de modder van de harde realiteit.

Een concreet voorbeeld, niet als recept maar om duidelijk te maken wat ik bedoel, is mijn eigen keuze om de blanke binnenstad te verruilen voor een achterstandswijk waar de eenzaamheid en de psychiatrische problemen als een deken over de flats liggen. Ik woon in een moeilijke wijk, met veel sociale problemen, met werkloosheid en schulden. Ik doe het niet om de wijk te verbeteren, maar omdat het nodig is voor mezelf. Het dwingt mij om deel te zijn van de gewone wereld, waar mensen mijn moeilijke woorden niet snappen, waar wordt gedeald op straat en waar het plastic op de grond ligt. Het is niet buiten de deur te houden, want je raakt bevriend met mensen uit deze klasse en ze komen in je huis. Bij mij is dat in de vorm van vluchtelingen die we onderdak geven.

Is dat leuk, vragen mensen me weleens. Nee, leuk is anders. Het kost je privacy. En het doet pijn, om vrienden te worden met mensen die met uitzetting bedreigd worden en niet mogen werken. Of met mensen die depressief zijn, of niet in staat zijn om je te vertrouwen. Maar dat confronteert me elke dag weer met de rauwe werkelijkheid waar we in leven, waar niks hypers aan is. Dat is heel gezond. Het maakt het leven verdrietiger, aan de ene kant. Maar ook veel mooier en dieper. Ik heb nu vrienden die mijn artikelen nooit zullen lezen en waar ik soms enorme misverstanden mee heb. Maar veel van hen zullen me mijn hele leven trouw blijven. We hebben vaker crises, we liggen vaker wakker en we zijn soms overspannen omdat het portiek weer eens is ondergepist. Maar we hebben ook veel meer feestjes, barbecues en bijzondere ontmoetingen dan ooit. Elke twee weken ga ik met een groep mensen, waaronder een paar werklozen en vluchtelingen, het bos in om de boswachter te helpen met natuurwerk. Als we dan bezweet neerploffen tussen de hopen riet die we zojuist hebben bijeengeveegd, en we de koffie laten rondgaan, terwijl de één ons het verschil leert tussen de rietgors en de rietzanger, en de ander kikkerdril in het Arabisch of Amhaars probeert te vertalen, dan besef ik me dat het misschien lastig is om de hyperrealiteit te verlaten, maar dat de wereld daarbuiten vele malen mooier is.

Om uit het permanente bubbelbad te stappen is het nodig om selectief om te gaan met prikkels. Ik heb ruimte nodig waar geen anderen zijn, geen meningen, geen nieuws. Ik heb vrije ruimte nodig in ons leven waar ik niet verstrooid en beïnvloed word. Ik hoef dus ook niet altijd het laatste nieuws te kennen. Ik hoef niet altijd bereikbaar te zijn. Mensen vragen me vaak verbaasd of je wel journalist kunt zijn als je én geen tv hebt én niet op sociale media zit. Hoe kom je dan aan je informatie? Voor mij is het juist andersom. Ik ben geen journalist om de informatieberg te helpen aangroeien, ik ben journalist om mensen te helpen nadenken. Dat gaat mij een stuk beter af als ik het merendeel van die media gewoon uit mijn huis ban. Dat ik dan niet weet welke scheet welke politicus het laatst heeft gelaten, is een prijs die ik graag betaal. Dat ik leuke facebookfilmpjes mis, vind ik soms jammer. Maar dat heeft me wel in staat gesteld om de Nederlandse boomsoorten te leren herkennen, om maar iets te noemen, en om een prachtige dikke pil over het Ottomaanse Rijk uit te lezen.

Wanneer we stil worden, stappen we bovendien uit de wirwar van mimetische relaties. We hebben soms eenzaamheid nodig. Zonder anderen hebben we geen identititeit, maar we moeten soms stil zijn om te verzinnen hoe we ons tot die anderen moeten verhouden. En, geloof ik zelf, tot God, die meestal een stille God is, en alleen te horen is voor wie alle geluiden laat bedaren en de schermen uitzet. Uiteindelijk is daar een identiteit te vinden die rust geeft, een identiteit die je niet hoeft te bewijzen of verdedigen. Dan verdwijnt de diepe angst die we allemaal in ons hebben, en daarmee ook de noodzaak om het leven helemaal te moeten beheersen. Het is geen toeval dat ook Ellul, net als ik, het christelijk evangelie omarmde, omdat hij daar een ‘buiten’ vond, een macht die buiten al onze systemen staat en ons een fundament van vertrouwen en veiligheid geeft om kritisch onze maatschappij tegemoet te treden.

De hyperrealiteit wil ons veranderen in aangepaste, tevreden massamensen. Om die tevredenheid kwijt te raken, moeten we ons soms bewust losrukken uit het permanente comfort. We moeten serieus op zoek naar de plaatsen waar de pijn is en de conflicten die daaronder liggen. Het onrecht, de armoede. Onze eigen beperkingen. Pas dan krijgen we weer mentale ruimte om kritisch om ons heen te kijken. En om te zien dat nog meer middelen, nog meer koopkracht en nog meer organisatie het laatste is wat we nodig hebben in een maatschappij van massamensen die slaaf zijn van allerlei anonieme machten, maar aan één ding werkelijk tekort hebben. Namelijk liefde.

Geen reacties





(optioneel veld)
(optioneel veld)
Beantwoord de vraag om te bewijzen dat je geen robot bent die viagra verkoopt.

Reactiemoderatie staat aan op deze site. Dit betekent dat je reactie niet zichtbaar zal zijn, tot deze is goedgekeurd door een beheerder.

Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.


Blader terug: ‘Doe altijd het tegenovergestelde van wat de overhe…
Blader verder: "Om de verstrooide kinderen van God bijeen te breng…
Terug naar frankmulder.info