Het leven een dansfeest

Heerlijk onderkoeld schrijft de Deense Lea Korsgaard in haar boek Het vlinderseizoen wat het nou precies is dat de vlinder, en ons, voortstuwt. Dat lijkt meer dan de voortplanting zelf.

Er is weinig zo problematisch voor het materialistische wereldbeeld waar we allemaal mee doordrenkt zijn, als de verpopping van een rups. Wij mensen groeien langzaam van klein tot groot, maar een rups wikkelt zich in een zijdeachtige substantie en wordt dan hard. Het wordt een cocon, en dat is geen rupsenlijfje waar langzaam vleugels aan groeien, maar het is een soepje van cellen die volledig worden geremixed, en eruitkomen als iets anders, een harig insect met grote, kleurige vleugels die eropuit trekken, op zoek naar geuren en kleuren.

Het is alsof je naar de tuin zou vertrekken en na een aantal dagen zou terugkomen als neushoorn, schrijft de Deense journalist Lea Korsgaard in haar boek Het vlinderseizoen. Het boek is net uit in het Nederlands, maar was al een bestseller in haar eigen land, en terecht. Het is een meeslepend verhaal, niet alleen over vlinders maar ook wat mensen in de geschiedenis over vlinders hebben gedacht. En dat allemaal door de ogen van iemand die er aanvankelijk heel weinig over weet, maar ineens heel impulsief het plan opvat om in een jaar tijd alle 64 vlinders van Denemarken op te sporen. Waarom, dat weet ze nog niet goed – en haar man en kinderen al helemaal niet.

Een rups is alleen maar bezig met zich volproppen, en een vlinder alleen met seksen, wordt wel gezegd. Dat past heel goed bij het evolutionaire principe dat alles gaat om het voortbestaan van de soort. Maar Korsgaard vraagt zich af of dat alles is. Is alles in de natuur alleen maar gericht op overleving van de soort, is alles functioneel?

Wat bij Korsgaard begint als geinige hobby loopt uit op een ernstige zoektocht door de geschiedenis om erachter te komen wat de betekenis is van passie, metamorfose, materialisme, vooruitgang, ecologie en schoonheid. Waarom zijn vlinders zo mooi? En waarom moet zij ze zo nodig allemaal zien? Waar komt die drang vandaan? Freud zou het allemaal gesublimeerde eros noemen. Alle hartstocht, inclusief de passie van vlinderfanaten zoals Winston Churchill en Herman Hesse die hun hele leven vlinders verzamelden, is volgens hem een uitlaatklep voor seksuele energie die door ieder van ons stroomt, het smachtende verlangen naar avontuur, verovering en plezier. Zo zijn we gecodeerd. Korsgaard herkent dat wel, maar vindt het te simpel, te materialistisch. Alsof we alleen maar onze verlangens willen bevredigen. Was dit slechts mijn ‘veroveringsdrang, die ooit zonder gêne op de dansvloer kon opkomen, het vitale en wilde, dat nu verstandige schoenen en een Fjallräven-rugzak droeg’? Of is er meer aan de hand? ‘Iets daarbuiten roept me’, zegt ze. En het roept steeds luider.

Ik lees Het vlinderseizoen op een toepasselijke plek, ik zit namelijk midden op een erotisch dansfeest. Voor mij langs vliegen twee koolwitjes begerig om elkaar heen. Ze dansen honderd meter naar links en dan weer honderd meter naar rechts. Eentje verstopt zich tussen de courgettes, in mijn moestuin, en fladdert dan weer uitdagend terug naar het lavendelbedje. Ze doet alsof ze alleen maar wil ruiken, maar ze moet grotere plannen hebben. Er landt een atalanta op de vlinderbloem, terwijl de bloeiende oregano vooral in trek is bij een bruin zandoogje. Tot vorige week wist ik niet dat deze soorten überhaupt bestonden, maar Korsgaard opent met haar boek een deur naar een nieuwe wereld. Met hulp van mooie waterverftekeningen van haar eigen hand leer ik de namen van alle vlinders, die meestal ook bij ons leven. Dat komt goed van pas bij de Nationale Tuinvlindertelling, die heel toevallig dit weekend wordt gehouden. En zo bevind ik me ineens boven een koolwitje om te zien aan het vlekkenpatroon of het hier gaat om de grote of de kleine soort.

Korsgaard schrijft heerlijk onderkoeld. Staat ze daar knullig bij een veldje, waar ze een paar uur voor in de auto heeft gezeten, om een of andere aardbeivlinder te vinden, die maar niet verschijnt, terwijl een van haar zoons zich zuchtend en steunend afvraagt waarom zijn moeder toch altijd zulke saaie dingen verzint. ‘Wat jij hebt met vlinders, hebben wij met Pokemon GO’, zegt haar zoon.

Maar Korsgaard gaat door. Want al vanaf Aristoteles leven mensen met het idee dat het leven een doel heeft, zegt ze. Dat er iets in de rups zit dat zich wel móet ontplooien tot vlinder. En ook dat er iets in de mens zit dat ergens heen wil. Dat er iets in de geschiedenis is dat ons voortstuwt, een bepaalde richting op. Maar er is iets merkwaardigs gebeurd: op een gegeven moment is deze verwachting, dit geloof in een doel, vervangen door een technisch-economische bril die het alleen nog maar heeft over groei. In plaats van doelen zijn we geobsedeerd geraakt door middelen. Steeds meer middelen. ‘Daardoor zijn we niet meer in staat om een horizon van zingeving te zien, iets om de blik op te laten rusten, iets om naar te streven, ons voor op te offeren. Wat vonden we tegenwoordig eigenlijk nog waardevol? Wat vonden we weergaloos? Waarvoor vielen wij op de knieën?’

Het gevolg van die jacht naar middelen is dat ze onze doelen beginnen te ondermijnen. Heel concreet, als het gaat om vlinders en dieren: dat leefgebieden verloren gaan. Naar schatting zijn er nu zeventig procent minder wilde zoogdieren, vogels, reptielen, vissen en padden, zegt Korsgaard, dan toen ze werd geboren, eind jaren zeventig. En het gaat maar door. ‘Vorig jaar vlogen er meer vlinders dan dit jaar. Volgend jaar vliegen er minder dan dit jaar.’ Het is eigenlijk ontzagwekkend verdrietig. Maar pas als ze stilstaat bij die ene speciale soort, die prachtige gele, die een eeuw geleden nog in wolken over de velden vloog, maar nu voorgoed verdwenen is, voelt ze het verlies.

Langs de bosrand, tussen de wilgen en de bramen, fladdert een razendsnel boomblauwtje voorbij. Ze doet alsof ze alleen maar nectar zoekt, maar als er een ander blauwtje langskomt blijkt dat het allemaal hoort bij hard to get: ook de blauwtjes zijn bezig met erotiek. Sommige vlinders doen wel 24 uur over de daad, lees ik ergens. Wetenschappers noemen dat paren, maar ik vind het er meer uitzien als concert, als dans.

Dansen bestond in de natuur eerder dan taal, leert Korsgaard van natuurkenners. ‘Vogels dansen. Futen dansen. Dans neemt een centrale plek in de natuur in. Eerst komt de dans, dan de taal. Het is een archaïsche communicatievorm. Een communicatie met de goden.’

Korsgaard blijft weg uit het koor van al die hedendaagse schrijvers die overal spirituele verbanden zien in de natuur. Maar ze wil niet haar ogen sluiten voor iets heel groots en mysterieus dat erin verstopt zit. Haar opa, een protestantse dominee, die steeds meer weerzin voelde tegen zijn eigen theoretische theologie en steeds vaker naar buiten werd getrokken, net als zij, noemde dit mysterie God. Maar Korsgaard worstelt met die christelijke taal. Is dat hele bijbelse verhaal over God die de mens laat ‘heersen over de aarde’ niet precies de basis voor Descartes en al die anderen om de natuur te zien als terrein dat we moeten ‘controleren en benutten’?

Een belangrijk kantelpunt voor haar is een lezing van een oude theoloog in Denemarken, Ole Jensen. Die legt uit dat de meeste mensen echt iets over het hoofd zien in het bijbelse scheppingsverhaal. Voordat de mens de opdracht krijgt om te heersen, klinkt namelijk steeds het refrein dat God de schepping ‘goed’ vond. Vóór de opdracht om te heersen hebben we dus een opdracht om te bewonderen, zegt de oude theoloog. Die woorden komen aan, even krijgt ze zelfs contact met een mystieke ruimte in zichzelf, zegt ze. Het geeft lucht: wat als er achter alle voortplantingsdriften iets zit wat je ‘goed’ zou kunnen noemen?

De Russische schrijver Vladimir Nabokov deed op Harvard onderzoek naar de voortplanting van vlinders. Hij schreef zijn roman Lolita tijdens een van zijn vlinderexpedities. Waarom kunnen vlinders zo veel kleuren nabootsen? En waarom is dat alles van zo’n eindeloze schoonheid? De rijkdom aan details in de nabootsingen is te mooi, te miraculeus, te wonderlijk, speels en nutteloos om alleen een evolutionair beschermingsmechanisme te zijn, vond Nabokov. Als je zulke fenomenen alleen maar reduceert tot hun functionaliteit, aldus Nabokov, dan zie je een diepe existentiële waarheid over het hoofd. Dat is ook waar Korsgaard op uitkomt. Ze kan het niet bewijzen, maar af en toe, staande voor een vallei waar de bloemen en de vlinders en de kleuren haar overweldigen, begrijpt ze ineens waarom haar opa op zoek ging naar de levenskracht achter de kosmos. Een kracht die groter is dan alleen soortbehoud, die zich door dood en metamorfose en geboorte heen wil uiten in goedheid en in schoonheid. Zoals de opgewonden boomblauwtjes tussen de wilgentakken eindeloos willen dansen.


Geplaatst

in

door

Tags: