In een toekomst met droogte en vuur is het cruciaal dat we diverse, veerkrachtige bossen hebben die vocht vasthouden. Dan moet het bos wel weer een plek krijgen in ons leven en in onze economie.
De extreme natuurbrand in de Gironde is nog niet eens geblust of Frankrijk houdt alweer rekening met de volgende canicule, de vierde hittegolf deze zomer. In de streek rond Bordeaux is al 42.000 hectare bos in de as gelegd, de grootste bosbrand in driekwart eeuw. In buurland Spanje is intussen al 172.000 hectare bos afgebrand, zes keer zoveel als vorig jaar.
‘Als je de droogtekaarten van Europa bekijkt, schrik je je rot’, zegt de Wageningse landschapsexpert Bertram de Rooij. ‘Bij klimaatverandering denken we vaak aan de stijging van de zeespiegel, maar de droogte raakt ons nu het hardst. En al het vocht dat verdampt moet ook weer een keer naar beneden vallen. Dat gebeurt steeds vaker in stortregens in het najaar, die niet in de grond worden opgenomen, maar direct wegspoelen en soms uitmonden in flash floods, zoals in Valencia twee jaar geleden. Overstromingen en bosbranden zijn deel van hetzelfde probleem, en dat is droogte.’
De Gironde was vroeger een arm, moerassig gebied. In de negentiende eeuw liet Napoleon III de streek ontwateren en volplanten met grote monoculturen van zeedennen, die mooi hout en hars leverden. De dorstige bomen hielpen mee om de bodem droog te krijgen. ‘Maar als het klimaat verandert en droger wordt, wordt dat bos een probleem’, zegt De Rooij. ‘Het landschap is niet meer ingericht op het vasthouden van water. En als er vervolgens brand uitbreekt, dan vormen de grote plantages, van gelijkjarige bomen, met veel ondergroei die niet wordt weggehaald, een reusachtig reservoir brandstof waar het vuur heel snel doorheen kan jagen.’
De meeste bosbranden die het zuiden van Europa onveilig maken, ontstaan in een ander type bos. Ze voeden zich niet met plantages, maar juist met verwilderde bossen. ‘Het grote probleem in de landen rond de Middellandse Zee is abandonment’, zegt Bart Muys, hoogleraar bos- en natuurbeheer aan de Universiteit Leuven. ‘Voormalige akkers of graasgebieden zijn in de steek gelaten doordat er weinig meer mee te verdienen is en mensen naar de stad zijn getrokken. Het land is dichtgegroeid met pioniersoorten zoals dennen.’ Daaronder groeien struiken en ander dun materiaal die in droge zomers functioneren als aanmaakblokjes.
Neem wijngaarden, normaal gesproken een welkome barrière tegen bosbranden. De planten hebben diepe wortels en zijn bladerrijk. De gangen tussen de plantenrijen worden gemaaid. Maar het is moeilijk om rond te komen van wijn, het areaal neemt in rap tempo af en steeds meer wijngaarden worden aan hun lot overgelaten. Vorig jaar was dat in de Aude, aan de kant van de Middellandse Zee, een belangrijke factor in de enorme brand die daar huishield: de vochtige barrières tegen vuur waren veranderd in droge wildernis.

Een ander verdienmodel voor bosbezitters vroeger was kurk, vooral in Spanje en Portugal. Maar de gloriedagen van de kurk, die elke twaalf jaar van de bast van kurkeiken kan worden gesneden, zijn voorbij, omdat synthetische alternatieven goedkoper zijn. In het bosrijke Spanje is het meeste bos in eigendom van particulieren, die geen enkele economische prikkel meer hebben om voor hun bos te zorgen. Niet monocultuur, maar verwaarlozing is daar de grote aanjager van de bosbranden.
Volgens experts op het gebied van bosbranden moeten we leren leven met vuur. We moeten niet elke brand willen blussen, want branden vervullen een belangrijke rol in de natuurlijke selectie van ecosystemen, vooral in warme streken, maar in mindere mate ook in West-Europa. Als je ze allemaal in de kiem smoort, groeit alles eenzijdig dicht en worden de bossen opslagplaatsen van brandstof. Als het dan vlam vat, wordt een brand al gauw onbeheersbaar, en dat richt veel meer schade aan dan een veelvoud aan kleine brandjes.
Maar brandjes klein houden is wel heel moeilijk bij grote lappen onbeheerd bos. ‘We missen eigenlijk het diverse mozaïeklandschap van vroeger’, zei Mario Beltrán, een Catalaanse expert op het gebied van multifunctioneel bosbeheer, toen De Groene hem twee jaar geleden opzocht voor een reportage over kurkbossen. ‘Veel mensen denken dat je een bos het beste niet kunt aanraken, maar dat is echt een misvatting. Dat geldt alleen voor echte wilde oerbossen, ver van mensen. Maar niet voor de bossen hier, die volledig door ons worden gevormd en beïnvloed door landbouw, verkeer, klimaatverandering. En door het blussen van branden. Al ons bos is gevormd door mensenhanden. En daar is dus ook beheer voor nodig. Als je dat niet doet, wordt een bos in de eerste fase juist heel eenzijdig en helemaal niet zo biodivers. Er zullen vooral een paar struiksoorten gaan groeien, de wind wordt droger en de bodem erodeert. Maar met menselijke activiteit, mits op een verstandige manier uitgevoerd, kun je uitkomen bij een veel rijker bos, met verschillende lagen, van kruiden tot struiken, van kleine bomen tot grote bomen.’
De Leuvense hoogleraar Muys is het daar van harte mee eens. ‘In het mesolithicum liepen hier enorme herbivoren rond die voor diversiteit in het landschap zorgden. Maar al die reuzenherten en mammoeten zijn door mensen uitgeroeid. Wat zou er gebeuren als je alle wilde dieren uit de Afrikaanse savanne zou halen? Dan zou dat ook dichtgroeien. Maar daarna, vanaf het neolithicum, kwam de veeteelt. Mensen lieten hun schapen en geiten in het bos lopen, dat was tot voor kort heel gewoon. Ook dat leidde tot een vorm van mozaïeklandschap. Maar nu dat bijna overal verdwijnt, zien we overal wildgroei.’
Dat klinkt misschien heel natuurlijk, maar zulke verwildering is halfslachtig. Eigenlijk moeten we kiezen: óf alles wild laten – maar dan accepteren dat er grote grazers door het land stappen (en sterven) en dat er soms stukken in brand vliegen of overstromen – óf gaan zorgen voor het land en er een economie omheen bouwen. ‘Het is dus een groot probleem dat er steeds minder interesse is in de producten van het land’, zegt Muys. ‘Ik ben in de regel kritisch op veeteelt, vanwege de enorme milieukosten en import van soja, maar extensieve veeteelt in natuurgebieden is heel belangrijk. We zouden geitenvlees en schapenvlees en kaas uit natuurgebieden veel meer moeten waarderen. Dan kan er weer een mozaïeklandschap ontstaan.’
Het idee van rewilding in deze zin betekent dus iets heel anders dan nietsdoen, zegt Muys. ‘Met economische activiteit kun je juist natuurlijke structuren herstellen. Dat kan door extensieve veeteelt, maar ook door ruimte te maken voor houtproductie, op een duurzame manier. Maar er is op dit moment nog weinig markt voor hout uit het Middellandse Zeegebied. Dat is ongelooflijk zonde.’
Door de toenemende droogte schuiven de bosbranden naar het noorden op, en zullen ook in Nederland veel gebruikelijker worden. De brandweer ziet soms al voorbeelden van extreme vuurontwikkeling. De droogte stelt ons bovendien voor grote uitdagingen op het gebied van watervoorziening en ook natuurbeheer. Met andere woorden: we hebben natuur nodig die tegen droogte kan, maar ook natuur die meer vocht kan vasthouden.
Bosbeheerders in België en Nederland zijn al een paar decennia bezig met de transitie naar bossen die diverser zijn, in soort en in leeftijd, omdat die meer veerkracht hebben bij veranderende omstandigheden. Het was vooral nodig om het grote aandeel naaldbomen terug te dringen. Naaldbomen, vooral fijnsparren, verdampen heel veel vocht, maken de bodem zuur en droog en geven een strooisel van naalden die makkelijk kunnen branden. Ze kunnen bovendien niet tegen droogte, dus met de klimaatverandering zijn ze vatbaar voor insectenplagen. Hele percelen met dode sparren of lariksen zijn intussen een bekende aanblik geworden. De meeste beheerders kappen er elk jaar een aantal naaldbomen uit en vervangen die door geschikte loofbomen. Loofbomen wortelen veel dieper en brengen voedingsstoffen naar boven. Tegelijk geven ze vaak veel beter strooisel als ze hun blad verliezen. Het bodemleven kan dit makkelijker afbreken en de bodem inwerken. Dat maakt de bodem dus niet alleen rijker, maar ook vochtiger.
‘We hebben een stapeling nodig van verschillende ingrediënten, die samen het landschap veerkrachtig kunnen maken, de ecologie kunnen verrijken en de waterbuffering kunnen verbeteren’, zegt Bertram de Rooij. ‘Het hoeft niet of-of te zijn. Dood hout in loofbossen, dat goed is voor de biodiversiteit, hoef je niet weg te halen. Dikke stammen van loofhout bevatten nog veel vocht en kunnen vuur juist vertragen.’
Ten diepste is het probleem, zegt De Rooij, dat we de natuur buiten de maatschappij hebben geplaatst. ‘Door de scheiding tussen natuur en maatschappij zijn we vergeten dat we erg afhankelijk van zijn van de natuur. We hebben de natuur nodig. Het beste middel tegen klimaatverandering is niet een of andere technologie, maar het bufferende vermogen van de natuur. We zouden weer moeten proberen om voedsel uit het bos te halen, niet op één plek, maar structureel.’
En als het gaat om houtproductie is het natuurlijk veel makkelijker om een monocultuur van douglassparren fabrieksmatig te verwerken tot balken. Maar als we tegelijk toekomstbestendige bossen willen, zullen we moeten leren werken met een grote diversiteit aan lokale soorten hout. ‘We zouden veel meer kunnen werken met biobased materialen in de bouwsector. We moeten de natuur een plek geven in de economie.’

Geef een reactie