Landbouw zonder chemie

Er zitten nog steeds te veel gifstoffen in ons oppervlaktewater en een deel ervan is te herleiden naar de tuinbouw. Een groep tuinders wil weten of ze zonder chemie kunnen.

beeld Desiré van den Berg

Jari van Vliet, assistent- teeltmanager, inspecteert de chrysanten. Bloemen of blaadjes met pukkeltjes blieft de consument niet

‘Weet je hoeveel roofmijten er in deze kas rondlopen?’ vraagt chrysantenkweker Barry Middelburg, met achter zich een groene zee van wel zeven hectare aan chrysanten. ‘Miljarden. Het is een standing army die ervoor moet zorgen dat de trips geen kans krijgt. De trips is een heel moeilijk insect, en als die plaag eenmaal uitbreekt dan helpt alleen chemie.’ De roofmijten zijn slechts een van de wapens uit het arsenaal van 100% Groen Geteeld, een project van leveranciers, onderzoekers en tuinders die samen willen toewerken naar een teelt met alleen maar biologische, groene en technologische oplossingen.

Middelburg wijst naar de linten die door de hele kas liggen, met zakjes waar de roofmijten uit kruipen. ‘Roofmijten zijn blind, dus je hebt er een hoop voor nodig om de trips tegen te houden. Dat is anders met de Phytoseiulus’, zegt hij. Hij opent een potje dat vol zit met krioelende minuscule rode spinnetjes. ‘Deze laten zich leiden door geur, op zoek naar spint. Dat is een nog kleiner spinnetje en dat eten ze op. Daarmee bestrijden ze een andere veelvoorkomende plaag. Ze leggen wel twintig of dertig meter per dag af, op zoek naar eten, en daarom hebben we daar veel minder van nodig.’

Middelburg is mede-eigenaar van de lmc-groep. Dat klinkt gelikt, maar het is gewoon de uitgeschreven afkorting van Leen Middelburg Chrysanten, genoemd naar de opa van Barry. Leen was een tomatenteler die ooit overstapte naar de chrysant en daarmee het zaadje plantte voor een concern dat intussen megakassen bezit op verschillende locaties, zoals hier net boven Breda, in het Brabantse Made.

Chrysanten zijn herfstplanten, vertelt Middelburg. Ze hebben eerst veel licht nodig, maar als je wil dat ze gaan bloeien moet je de kas verduisteren. Hij wijst de kas in, waar we amper het eind van kunnen zien, en laat de verschillende vakken zien die zich in verschillende groeistadia bevinden, zodat er elke dag bloemen geoogst kunnen worden. Zelfs de kleur van het licht wordt optimaal gehouden: in het ene vak zijn de lampen groen, boven een ander deel van de kas is dat naar rood of blauw gedraaid, afhankelijk van de groeifase.

Een hightech kas zoals deze staat of valt met beheersing. Alles moet optimaal zijn. ‘De bloem staat tien weken en dan wordt hij geoogst. Een chrysant verkoop je in zijn geheel.’ De lat ligt dus hoog, want bloemen of blaadjes met lelijke pukkeltjes blieft de consument niet.

Helaas laten schimmels en insecten zich niet volledig buitensluiten. ‘Drie jaar geleden hadden we hier een uitbraak van trips. We moesten meer pesticiden spuiten dan we wilden. Toen zijn we met elkaar gaan nadenken over onze aanpak, en of we niet iets anders konden doen, een andere manier van telen. Het werd ook echt een persoonlijke vraag van mij: kunnen we bloemen telen zonder chemie? Zo zijn we begonnen met het project 100% Groen Geteeld.’ Er doen nu al 23 telers mee, uit steeds meer productgroepen. We hebben geen geheimen, iedereen kijkt met elkaar mee om te leren.’

Nederland is een dichtbevolkt land met een hoge concentratie intensieve tuin- en akkerbouw. Iedereen wil dat boeren betaalbaar eten maken en perfecte bloemen, en om dat te leveren kunnen we met ons huidige model niet zonder ‘gewasbeschermers’, zoals dat netjes heet. Tegelijk is er grote bezorgdheid over mogelijke relaties tussen bestrijdingsmiddelen en ziektes en over gifstoffen die tot midden in natuurgebieden worden gemeten. Intussen doemt aan de horizon de evaluatie van de Europese Kaderrichtlijn Water op: volgend jaar moeten alle sloten en plassen in Nederland voldoen aan de afspraken voor schoon water. Meer mest of gif dan we hebben afgesproken mag dan simpelweg niet meer. Op dit moment zakt negentig procent van het water voor de test, omdat er te veel mest of te veel bestrijdingsmiddelen in zit. Dat betekent dat het vanaf volgend jaar weer rechtszaken gaat regenen, net als met stikstof. De omgekeerde vlaggen kunnen alvast van zolder gehaald worden.

In de Europese Green Deal is afgesproken om het gebruik van bestrijdingsmiddelen te halveren. Op zich heeft die aanpak effect, laten de cbs-cijfers zien. In 2020 gebruikte de landbouw volgens het cbs gemiddeld 7,1 kilo gif per hectare. Dat was in 2024 nog maar 5,6 kilo. Maar er is een groot probleem als je vooral stuurt op kwantiteit, zegt Martina Vijver. Zij is ecotoxicoloog aan de Universiteit Leiden en wetenschappelijk directeur van het Centrum voor Milieuwetenschappent aldaar. ‘De nadruk op volume is niet handig. Want dan stimuleer je de ontwikkeling van middelen die reactiever, sterker zijn. Je had ook kunnen zeggen: we willen middelen die minder persistent zijn en dus sneller afbreken.’

Het probleem is nu dat de middelen steeds slimmer worden, zegt Vijver. ‘Ze zijn specifiek gericht op één target. Bijvoorbeeld: het vervellingsmechanisme van insecten. Of neem neurotoxicanten, die beschadigen het kalium- of natriumpompje in de cel van een insect, waardoor dat verlamd raakt en makkelijker opgegeten wordt.’ Dat heet de syntheserevolutie: de industrie kan een microbiologisch proces synthetisch nabootsen en kan zo alsmaar preciezer richten. ‘Het middel heeft steeds meer effect, maar is steeds moeilijker te vinden.’

Vijver doet onder meer onderzoek naar de invloed van bestrijdingsmiddelen op ecosystemen zoals sloten. Bij elke vraag weet ze voorbeelden en tabellen op haar laptop te tonen om haar punt te ondersteunen. Ze is zeer bezorgd over de nieuwe voorstellen uit Brussel. ‘Ze willen de toestemming voor middelen voortaan automatisch verlengen tótdat er bewijs is dat er negatief effect is. Welk effect moet je dan aantonen? Hoe moet je het meten? En wie is daar dan verantwoordelijk voor? Een burger die dode slakken of insecten vindt? De incentive voor de industrie is dus net als de Green Deal: trainen op reactiviteit.’ Steeds slimmer, steeds kleiner.

In een kas hangen zakjes waar roofmijten uit kruipen. ‘Roofmijten zijn blind, dus je hebt er een hoop nodig om de trips tegen te houden’;

In proefsloten in het veld meet Vijver met haar team wat er gebeurt als je een kleine hoeveelheid van een middel in een systeem brengt. ‘We tellen het aantal soorten en individuen in een populatie die we in één uitvliegval vinden. Bijvoorbeeld tien muggenlarven die verpoppen tot muggen uit zestig vierkante centimeter sedimentbodem. En dan zien we dat het aantal uitvliegers halveert bij een bepaald middel. Dat voelt niet alleen die mug, maar ook de spin die honger heeft. En zo heeft alles effect op alles, op kevers, libellen, schietmotten, enzovoort.’

Omdat de hoeveelheid insect en ook het aantal soorten niet afneemt, lijkt er voor de buitenwereld niks aan de hand te zijn. ‘Maar als we kijken naar de interacties tússen soorten, dan zien we een grote afname, zelfs als we middelen toedienen die je amper nog kunt meten. Dat hebben we negen jaar lang zitten meten, tussen allerlei diersoorten, met een mengsel van weet-ik-hoeveel stoffen. Vergelijk het met een trein die de hele tijd voorbij dendert, die ons niet overrijdt, maar er wel voor zorgt dat we niet meer kunnen communiceren met elkaar. Dan verstoort dat onze hele samenleving. De metingen in het veld laten zien dat zelfs de te ruime normen nog worden overschreden. En let wel, het is niet zomaar water. Onze sloten zijn de kraamkamers. Ook om onze teelten weerbaar te houden. Ons voedsel kan niet zonder deze ecosystemen.’

‘Er moet lef komen’, vindt Vijver. ‘We moeten gewoon besluiten dat we bepaalde stoffen niet meer op de markt willen hebben en de overstap maken naar groene middelen.’

Brussel en Den Haag hebben dat lef misschien niet, maar veel telers wel, zegt Helma Verberkt, die vandaag ook aanwezig is in de chrysantenkas in Made. ‘Vroeger zei de industrie: we moeten alle middelen houden, de productie moet draaien. Maar nu zie ik veel bedrijven in de sector die er anders naar gaan kijken.’

Verberkt is directeur van Artemis, de koepel van biologische gewasbeschermers, en doet ook mee aan het project 100% Groen Geteeld. ‘Het idee begon bij telers van bloemen en vruchtgroentes. In 2024 begonnen zij met pilots in verschillende kassen. De siertelers noemden zich de “versnellers”, vanuit het idee: we willen niet terug naar vroeger, we willen juist vooruit naar een betere glastuinbouw.’

Over de impact van de glastuinbouw op de waterkwaliteit wordt veel gedebatteerd. Feit is: per plant wordt er in een kas veel minder chemie gebruikt dan in de open teelten. Maar per hectare is het middelengebruik hoger dan in de akkerbouw. Als je dat wil verminderen, moet je niet alleen naar de middelen kijken die een teler gebruikt als er eenmaal een plaag is, zegt Verberkt. ‘Je moet ook toe naar andere teeltmethodes, om te voorkomen dat de schimmels en insecten een kans krijgen. Dat kan bijvoorbeeld door biostimulanten toe te voegen aan de bodem, zodat de planten zelf weerbaarder worden. En door samen te werken met veredelaars, die op zoek gaan naar sterkere variëteiten.’

De eerste stap was nog eenvoudiger, zegt Middelburg: insectengaas. ‘Alles hierboven is nu afgegaasd. Dat deden we vroeger niet. Daardoor krijgen we nu veel minder trips binnen. Maar niet alle plagen laten zich daardoor tegenhouden. Er blijven luizen en wantsen binnenkomen. En wat lastig is: als je groener teelt, krijgen andere soorten juist weer meer kans. Zoals de rode chrysantenluis, die we eerder amper tegenkwamen. Waarschijnlijk werd die tegengehouden door de chemische middelen die we gebruikten. Nu proberen we die te bestrijden met lieveheersbeestjes. Maar die zijn eigenlijk veel te duur. Je moet ervoor zorgen dat de lieveheersbeestjespopulatie zichzelf in stand houdt, zodat je ze niet telkens opnieuw moet kopen en uitzetten.’

En als de roofmijt of het lieveheersbeestje zo goed werkt dat het plaagdier uitsterft, dan heb je weer het probleem van de honger, en moet je je geliefde bestrijders bijvoeren. Als bloementeler moet je tegenwoordig ook een goede insectenteler zijn.

Middelburg begon in januari 2024 met het project en dat had meteen al enorm veel effect. ‘We hebben de helft minder chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. Vorig jaar kon ik de eerste helft van het jaar volledig zonder chemie. Maar de gewasbescherming kostte wel twee keer zo veel. En daarna zat er zo veel luis dat zelfs de dure lieveheersbeestjes het niet meer aankonden, dus toen moesten we toch spuiten.’

De luis blijft een moeilijk diertje, zegt Verberkt. ‘Ze kunnen naast geslachtelijke voortplanting ook zonder bevruchting levend barende nakomelingen krijgen. En is het takje leeggezogen? Dan krijgen ze vleugels en gaan ze naar de volgende. We hebben een heuse Taskforce Luis opgezet om hier antwoorden op te vinden, waarbij we ook kijken naar hightech oplossingen.’

Het is de kunst om in een vroeg stadium te ontdekken waar de verkeerde schimmels en insecten opduiken, zeggen de telers. Dat betekent vooral één ding: ‘veel meer scouten’, zegt Verberkt. ‘Honderd procent groen kan alleen als je heel veel planten bekijkt en op tijd besmettingshaarden vindt. Intussen zijn de telers aan het experimenteren met camera’s op een spuitboom. Deze camera’s maken ruim duizend foto’s per teeltvak, en ze worden met hulp van AI geanalyseerd. Maar vooralsnog is het menselijk oog nog de belangrijkste tool.’

En als dat oog wat vindt, dan hoef je niet meteen de spuit te pakken. ‘Hiervoor hebben we de escalatieladder uit de methode van Integrated Pest Management: eerst meer natuurlijke vijanden inbrengen. Dan biologische middelen gebruiken. En als dat niet werkt, chemie gebruiken, maar heel lokaal.’

Jari van Vliet, assistent-teeltmanager

Als je ergens zonder ecologische schade kunt spuiten, is dat wel in een gesloten systeem zoals een kas, zou je denken. De tuinders hier vangen alles op, zeggen ze, en al het water wordt gefilterd en hergebruikt. Wat naar het riool gaat, wordt eerst gezuiverd. Toch treffen we te veel giftige stoffen aan in de sloten rond de kassen, vertelt Stijn van Boxmeer aan de telefoon. Hij is hoogheemraad bij het Hoogheemraadschap Delfland, het grootste kassengebied van Nederland. ‘Wij hebben het Westland verdeeld in 26 gebieden. Elke maand doen we één meting per gebied op 250 gifstoffen. Wij meten in wel 24 gebieden te veel toxiciteit.’

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (nvwa)zegt iets vergelijkbaars. Bij 71 inspecties in kassen met snijbloemen zijn de afgelopen twee jaar maar liefst 43 overtredingen geconstateerd. De helft van de telers gebruikte de bestrijdingsmiddelen op een verkeerde manier, dus te vaak of in een verkeerde periode, of gebruikte zelfs middelen die niet toegestaan zijn in de betreffende teelten. Slechts 39 procent van de bedrijven hield zich helemaal aan de regels. Dat was vijf jaar eerder nog zestig procent. Vaak gaat het over kleine fouten zoals een verkeerde spuitdop, zegt de nvwa, maar bij elkaar opgeteld hebben zulke nalatigheden veel effect.

Van Boxmeer, van het waterschap, denkt dat de kern van het probleem niet bestaat uit ondernemers die een loopje nemen met de wet. ‘Natuurlijk zijn die er ook. Maar ik durf wel te zeggen dat de meeste telers er heilig van overtuigd zijn dat hun kas waterdicht is, maar dat het toch niet klopt. Uiteindelijk zijn gesloten kassen vaak toch een beetje lek, ergens.’

Stoffen kunnen op allerlei manieren naar buiten komen. Door verkeerde koppelingen of lekkages, bij het schoonspoelen van kassen of bij het vervangen van substraat. Of via vervluchtiging, door de lucht. ‘Dat maken we inzichtelijk voor telers door metingen in de sloot naast hun kas. Er moet iets gebeuren. In 2027 moet het water in Nederland voldoen aan de Europese regels. Als Europa net zo streng gaat optreden als in het mestdossier, kan het zomaar gebeuren dat er binnen twee jaar een verbod gaat komen op glastuinbouw in gebieden waar te veel gif wordt gemeten.’

rechts: als de roofmijt of het lieveheersbeestje zo goed werkt dat het plaagdier uitsterft, moet je de bestrijders bijvoeren

De kassen dichten is belangrijk, ook om de meststoffen binnen te houden, maar het is natuurlijk helemaal goed om het probleem bij de bron aan te pakken en minder chemie te gebruiken. En dat kan echt, zegt Verberkt. ‘De kassen met vruchtgroentes gebruiken nu al twee derde minder chemische bestrijdingsmiddelen. De snijbloemen van lmc na één jaar al de helft minder.’ Maar er is wel frustratie te merken bij iedereen, en dat is de regelgeving. Nederland mag middelen alleen toelaten als de Europese Food and Safety Authority de werkzame stoffen daarin heeft goedgekeurd.

‘We willen van chemie naar groene middelen, en we moeten dus het pakket aan groene bestrijdingsmiddelen vergroten’, zegt Verberkt. ‘Er zijn veel ontwikkelingen en er worden steeds meer groene middelen ontwikkeld. Maar het toelatingstraject is moeilijk en helemaal gericht op chemische stoffen. Als je een biologische stof wil aanmelden, heeft het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden pas tijd over drie jaar om het dossier te openen. In totaal duurt het tien jaar voordat een nieuw middel, als het veilig is, de markt op mag.’

Verberkt heeft wel hoop: er ligt nu een voorstel van de Europese Commissie op tafel om dit te gaan versoepelen. Overigens zitten daar nog wel wat haken en ogen aan. Veel mensen, zoals ecotoxicoloog Vijver, zijn bezorgd dat daarmee tegelijkertijd ook de regels voor chemische middelen minder streng worden.

Kan de rest van de landbouw ook iets met de lessen uit de tuinbouw? ‘Zeker’, denkt Verberkt, ‘er is al een groep vollegrondstelers die bezig wil gaan met honderd procent groen. Dat lijkt misschien moeilijk, omdat je geen gesloten systeem hebt, maar er zijn ook voordelen. Je hebt een ecosysteem waar je mee kunt samenwerken. Dat kun je versterken, zodat er natuurlijke vijanden blijven, die de verkeerde schimmels en insecten klein houden. We doen nu experimenten met biostimulanten die de bodem verbeteren. Dus nogmaals: we moeten niet alleen de chemische middelen vervangen door groene, maar we moeten toe naar andere teeltmethodes.’

Eigenlijk is er maar één echt obstakel, zegt chrysantenteler Barry Middelburg, en dat is het geld. ‘Ik heb mijn middelengebruik gehalveerd, maar de kostprijs is verdubbeld. Hoe gaan we dat vertalen richting de markt? In dit project krijgen we er subsidie voor, maar is de consument in de toekomst bereid om dat ervoor te betalen? Ik droom nog steeds van een kas zonder chemie. In theorie zou het moeten kunnen.’


Geplaatst

in

door